Dood
Je kan het niet laten,
je komt wel eens om de hoek.
Maar ik herken je niet,
ik wíl je niet herkennen.
Je wil nog niet herkend worden.
Dood wil ik jou!
In mijn vuisten platgenepen. Veilig.
Vol haat,
van goddelijk lef bezeten,
brandend van leven,
grijp ik naar jouw ogen,
jij, vijand, koele dreiging, onbarmhartig.
Je weerstaat me, gemakkelijk.
Je slaat niet toe.
Je gunt mij tijd?
Je slaat mij gade,
met samengeknepen ogen,
oplettend en doordringend.
Niet zonder schaamte geef ik 't toe:
Soms lijken jouw armen mij te wenken,
ik wil me in je leegte storten,
jij, mijn vriend, mijn laatste toeverlaat,
lieflijke glimlach van een teruggevonden vader.
Maar angstig sla ik de ogen neer,
voor jou sla ik op de vlucht, wanhopig,
want leven roept sterker,
ook al vergaat mij alle lust.
Besta je wel?
Je bent een spotter,
gespeend van alle humor.
Je bent een schim,
een duivelse illusie,
hersenspinsel en nachtmerrie
van
van zichzelf vervreemde
ten dode opgeschreven
"mensen".
Je bent mijn drijfveer,
ook mijn grootste tegenwicht.
Ik leef op de onooglijke spildraad
tussen jou en mijn leven.
Ik moet kiezen.
('90)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

