Abonneren, delen, bewaren

Sneeuw

Het sneeuwt,
en de bomen zijn blij.
De bomen bevatten de sneeuw met hun takken.

Het sneeuwt,
en de vogels zijn blij.
De vogels omzeilen de sneeuw in hun vlucht.

Het sneeuwt,
en de kinderen zijn blij.
De kinderen vangen de sneeuw in haar val.

Het sneeuwt,
en de mensen zijn blij.
Ze vertrappen de sneeuw in hun gang.

Het sneeuwt, en ik ben blij.
Ik slaap verder, en droom van de sneeuw.
(Van vogels, van bomen, van daken.  Van mensen, van skiën, van waken.)

Het sneeuwt,
want de huizen zijn blij.
Ze torsen de sneeuw met hun daken.

Het sneeuwt,
want de straten zijn blij.
Ze bewaren de sneeuw door te vriezen.

Het sneeuwt,
want de sneeuw is blij.
Ze verlamt de stad met haar zwijgen.

Het sneeuwt,
want de stad is blij.
Ze verlamt de sneeuw door te strooien.

(09.12.98)

 

 

 

 

||||| Abonneren, delen, opslaan