Vrouwen, en mijn hand
Vrouwen, en wie van hen overblijft.
Hoe ze komen en gaan, als zandstormen.
Overal waar ik voor val, en dan vallen ze, voor een andere man.
Ze lachen mij aan, verstopt achter muren van glas.
En worden dan geschaakt, om te bevallen - ach, mijn kleine paleizen...
Ach, mijn machtige vingers - de zool van hun open mond...
Vrouwen, en wie van hen overblijft. Ze komen soms terug,
met losgeknoopte rokken, of laarzen in termen van opwinding.
Klaar. Mijn kleine, kleine koninkrijk. Dat bloeit aan de top van mijn hand.
(10.01.05)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

