•
Altijd weer, dan denk ik:
“Nu is het genoeg geweest,
nee, verliefd, dat ben ik niet”,
als ik verrast word, opnieuw bezet,
verraden door dit kostbaar leed,
mijn schaduwrijke taal,
die zich voor jou ontbloot,
die zich voor jou ontkleedt,
die zich van jou meester maakt,
alsof je mijn vertrouwen bent,
mijn diepste, meest betekend lichaam.
Hoe ik in jou verderkerf,
mijn tranen en mijn schrik belijdt,
waar jij de polsslag van mijn adem wordt,
de rilling van een nieuw genot.
En de tijd staat stil, waar hij verder tikt,
als rijzige, vlottende bom.
Nee, de taal bereik ik niet:
je bent een brandend blad papier,
snakkend naar een boekenbeurs.
Je bent een wandelend archief
dat ik met sterrenkijkers opsla -
dit bulderend gelaat dat jou ontgaat.
Hoe ik wou dat je een toren was,
die instort waar mijn taal tekortschiet.
Waar mijn trots zijn lot verbuigt.
Waar de onmacht mij ontbreekt.
Ik heb hem niet verdiend,
maar ik verlang naar jou,
als wandelende klok,
als steigerende keerkring.
Heb ik genoeg verloren,
genoeg van mijn geluk vergeten?
(25.10.96)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

