•
En als je dan mijn woord aanvaardt,
hoelang kan ik jou boeien,
hoe houd ik je ogen vast,
ontspan ik je glimlach,
verleng ik je wimpers tot snaren?
Hoe ik verlang, vergeefs, zolang ik twijfel, vergeefs,
aan mezelf,
aan de borst die mij bewoont.
Hoe ik, geboorte en dood indachtig,
de slaaf ben van de woorden die mijn eerste schreeuw doorkruisten:
“Ik hoop dat je iets betekent voor de wereld”, zei ze,
en waar heel de wereld voor mij openging,
klapte hij dicht, stolde hij waar ik blauw zag
en mijn hart verruilde voor de steen
die standvastiger is,
die mijn dood bespoedigt,
maar de getijden verzacht,
die mij op dezelfde plaats, in dezelfde tijd,
verankert in de wereld
die mijn toevlucht nooit geworden is.
Hoe jij mij uitholt,
en tot barstens toe vervult.
Kristal, zeg ik, en sneeuwstorm,
mistral misschien, en zomerbries.
Waar ik aanmeer op je stilte die ik uitzuig.
Jouw poliep. Jouw nooit verlaten kwal,
met de schoonheid van een dameshoed.
Die jou bitter mooi en breekbaar past.
Nee, geen stilte smeer ik voor jou uit.
Maar de adem die ik opvang
uit de stilste wand, zijn golf.
Waarlangs ik op jou neerstrijk.
Ik beklem de taal van de zee.
(15.10.96)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

