•
En of ik ze laat lezen,
mijn gedichten, of wat er voor moet doorgaan.
Hoe ik jou niet kan, of wil,
of mag, benaderen, omgeven,
verwennen.
Deze vergeefse kruisbestuiving,
dit bij voorbaat neergehaalde kruis.
Hoe ik jou nakijk,
en onnoemelijk zwijgzaam zacht
de haren van je wangen streel.
En ook dat moet een gebaar zijn,
een niet veroordeeld teken,
een welvoeglijke vorm van geweld.
Ik vermijd jou,
en je weet wat dit betekent.
Jij vermijdt mij,
maar het dringt niet tot mij door.
Weet je dat ik naar jou verlang?
Ik durf jou niet te bereiken.
Ik bereik de grens van mijn hart.
Ik vereer de kracht van de stilte.
Maar ik ontloop jou.
Ik durf jou niet te benaderen.
De dood is levensgevaarlijk.
Mijn wandelend graf,
mijn dagelijks verslindend vuur,
mijn doordeweekse straalverbinding,
mijn jachtig, onbedreven ik.
In jou verlengt zich mijn adem.
Zoals je mij ontbreekt.
Zoals ik jou mis.
Zoals ik werkloos mijn lichaam benader.
En toezie op mijn pen.
Alsof ik jou beschrijven kan.
Bezweren kan.
Verleiden kan.
Want jouw vriend bewaakt mijn hart.
En hem blijf ik trouw zoals mezelf,
ik heb mezelf deze driehoek bespaard.
Of zijn we creatief,
zal ik mijn hoop verslepen?
Ik wil jou niet voor mij alleen.
Ik wil jou alleen maar, soms, alleen.
Ik leef van dit verdriet.
Deze niet op te heffen schande.
Deze driehoek die zichzelf verraadt.
Ik koester hem niet.
Of zal ik jou vertellen, van een andere liefde,
een grotere liefde, van een betere vriend?
Hoe ik aan hem, en hij aan mij, zij aan ons,
ten onder ga, wij aan elkaar?
Ik geloof in die andere mogelijkheid.
Spreek ik ze uit, of niet?
Want ik hou wel van figuren, meetkundige, holografische,
of standjes.
Maak jij ze openbaar?
(02.11.96)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

