Abonneren, delen, bewaren

Hoe ik mijn tranen uitsnik
en ze opvang, voor jou, in versteende bekers.
Hoe ik hoop dat mijn tranen een spiegel zijn,
een gemelijk gedeeld gezang,
het in stilte gedeeld besef van langzaam gerijpte wonden.
Want ook in jou schuilt de afgrond,
de afgrond die ons bindt.
In die afgrond leven wij,
beleven wij de liefde,
en vergaan wij van geluk.
Voorbij die afgrond sterven wij,
en betrachten wij een ander lot.
In dat ontnuchterend besef,
worden wij dronken,
en wachten wij, op die kleine ontroering,
die de vorm krijgt van een werelddeel.
Dat zich verplaatst op drift, eenvoudige regels getrouw.
Nee, dit is geen smeekbede, geen sentimenteel verhaal.
Dit is de zekerheid van een gebeuren,
de taal van zich verschepende schoonheid.
Hoe ik in jou, wij in elkaar,
de stilte verruilen voor de taal van een lichaam.

En of ik ze aankan, die taal,
of ik die stilte kan verdragen.
En het ruisende bloed, de schuimende lust.
Waar misplaatste symbolen vergelen,
in het licht van enkel zwaarte.
De zoetelijke moeheid van een naderend gehinnik.
En hoe ik daarin steiger,
de sporen van je taal vergetend,
de nacht gelastend te verdwijnen.
Ik zal jou levend doen verdwijnen,
jou opslaan in jouw schoot.
En in jouw buik zal ik verrijzen,
met de snelheid van een chaos
en de aanslepende oerknal.
Hoe ik uitzet, en jou roder dan rood bevang,
jij mij opvangt en terug inkrimpt,
waar ik stol en tastbaar wordt.
Er is maar één taal: de taal van het verlangen.
En jij, jij schonk ze mij, je bent mijn verraad.
Er is maar één werkelijkheid: het verlangen.
En jij bent er één van.

Ik beschaam jou niet, maar vereer jou,
met dit schaamteloos moment, dit aanstaand eerbetuig.
Ik geloof niet in het kort geluk,
de liefde van een inslaand moment:
mijn taal moet jou verleiden
tot de enige zekerheid,
dat ik voor herhaling vatbaar ben,
van jou je vagevuur, je schuchtere hemel,
en je dandyeske hel.
Nee, ik ben geen held, en ook geen groot versierder,
maar mijn taal zal ik jou inbranden,
met meer dan vuurvast geweld,
met meer dan standvastige adem.
Ik ben jouw levend lichaamsbeeld,
jouw drachtige herkenning.
Het teken van een wereld
die de vorm heeft van een kind.
Letterlijk, of vruchtbaar: van jou de eeuwige geboorte,
de eeuwige nadering van mijn dood.

(15.10.96)

 

 

 

 

||||| Abonneren, delen, opslaan