•
Ik schrijf jou een gedicht, en je zegt,
“Dit meen je niet, nee, dit kun je niet menen,
dit heb ik niet gewild”,
en je schaduw vlucht voor mij uit.
Naakt sta ik hier, niet kwaad en niet geërgerd,
mijn mooiste schijn rond jou gewonden,
dit kostbaarste verraad, ik,
van jou je kind en je vertrouwen,
je man en je verloofde,
je vader en je grootvaders - nee, wie ik was:
ik zal mezelf verzinnen,
tussen de woorden van onbestaande zinnen door.
Als jij de taal ontbindt
en niet het kleed, het bloed of de lege ruimte,
als jij dan de ruimte betreedt
tussen mijn merg en mijn beenderen,
in de greep van dit heelal
in de vorm van een boek of een balzaal,
ja, dan zal je mij verlaten,
en je zal zeggen:
“Het was waar wat je schreef,
maar ik, ik heb het niet gewild.
Ik ben te zwak, te koortsig,
en van geen wereld een tweede vrouw.”
En je zal mij omhelzen, mij diep en teder kussen,
en verder dromen, een leidraad in je hand,
mijn taal die stolt in je bloed.
Mijn tweede dood zal ik sterven,
lang nadien, als ik vergeten ben,
jij de schim van dit verleden,
de schamele herinnering van dit overvloeiend lot.
En ik, ik heb het niet gewild.
Maar ik schreef gedichten, en ik schreef ze voor jou.
Hoe ik van jou overloop,
en woorden verzin
waar mij jouw tong ontbreekt.
En het schudden van je mond,
de krampen van je kut.
(Want alles wordt benoemd vandaag,
zolang het maar niet tastbaar wordt.)
Maar ik verlang naar jou,
lichamelijk.
(11.10.96)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

