•
Neem mij dan, dit schromelijk getuigenis,
deze woordenstroom die mijn lichaam opent.
En terug toedekt, ik wil jou niet bezitten.
Ik wil jou glansrijk trots veroveren,
jou bodemloos ontzetten.
Tot ik jou heb uitgeput,
en jij mijn ster bent
aan de voeten van mijn lippen,
zonder verhaal, en zonder verleden.
Alleen in die tijd kan ik leven,
enkel levend kan ik dansen.
En of je mij dan trouw zal zijn,
voor geen verraad verlegen,
de taal van je ogen getrouw.
Of ik jou nog zal ontdekken,
waar ik, leeg en eenzaam achterblijf,
de stilte van mijn lijf afrukkend.
Met op elke tand een teken,
de schuimende herinnering
aan de spijlen van je vuur.
Of hoe ik jou geketend heb,
en niet wil rusten, niet wil eten, niet wil slapen,
als jij mij, ik jou niet eerst gekerstend heb,
verbrand in dit verlangen,
versmacht door dit bevriezen.
Van de weerstand,
en de hinderlagen, de niet naspeurbare angst,
die mij begoochelt,
die mijn stem in stilte smoort.
Als ik jou niet volg,
aarzel niet, en keten mij,
voltrek dit ritueel.
Ik ween nu, van verdriet
en van geluk,
met zoveel pijn in het verschiet,
zoveel onbegrepen marteling.
Zoveel ongekende tranen.
(11.10.96)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

