•
Waar ben je dan, jij, liefste,
of zo wou ik je noemen,
niet eens gekust, niet eens aanbeden.
Zelfs niet verrukt.
Maar helemaal ontgonnen door jou,
doorploegd door duizend aanstaande gewelven
(waarin ik onderduik, en boven zwem,
op zoek naar jou, gevonden door jou, gemist door jou:
heb ik mij vergist,
mij te vroeg in jou verheugd?
Heb ik jouw ogen verruild voor een gril die verkromp?
Ach, hoe ik verlang naar jou,
hoe ik wacht op je muziek,
die korenzang die mij versmaalt.
Laat niet af, en koester mij,
geef mij een onbegonnen toekomst,
de stem van een kloppend hart.
In je aders wil ik wonen,
in je genen wil ik nestelen:
mijn woordenschat, mijn schoot,
mijn bodemloos verraad.
In jou wil ik een nieuw verhaal,
de klokslag van een toren geven.
Ik hou van jou.
Ik verlang naar jou.
(Of had ik dat dan al gezegd?)
(Of, hoe ik twijfel aan mijn woorden,
of ze de taal van mijn lichaam verlengen.
Of ze verder gaan dan dit oponthoud,
dit flitsend vuur in mijn gedachten,
dat mij van jou onthoudt,
dat op jou wacht,
alsof je elk moment de zon kan zijn,
en de maan, en de drempel die ik bewoon,
maar niet betreedt.)
Kom nu, wacht niet, laat mij wachten.
Ik huiver als ik aan jou denk.
(11.10.96)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2010)

