•
Ook ik ben maar een bloem,
die weelderig staat te schijnen,
wezenloos, en wat verdwaald. Ademloos,
maar niet betast: te schitteren in wat aarde,
wat vergeten licht, wat al te verkleurd water.
Ik heb mezelf bijeengeraapt, gezegd:
“Ik ben het water en de zee, bloem ben ik -
drijf mee op de ogen van het kijken.” En ik keek,
naar mezelf, toen ik versteende, verscheen tot geel, en groen,
en meeldraad. In het station, zomaar, tussen de mensen door.
Ik ben niet vertrappeld, maar vergeten daar:
te schijnen voor het blinkend staal dat verder glijdt.
Ik: bewegingloos en niet tevreden.
Ik: schreeuwend, en niet te horen.
Ik: in elke verdere jaarring, mijn stem verschuivend naar een hogere stemband.
