•
De mensen zijn dwaas.
De mensen leven niet zoals ze willen.
Ze zijn het zo, gewoon: niet te doen wat ze willen.
Wie doet wat hij wilt, roept agressie op.
Het geluk holt zichzelf uit.
De gespletenheid verdiept zich:
een steeds diepere kloof, die zich steeds verder uitstrekt.
Zalig zijn zij die al geboren zijn.
Er is geen kiezen aan: stenen zijn gelukkiger.
Hoeren, honden en zwaluwen:
de kant van het object is mooier.
Het object heeft altijd gewonnen.
De mensen zijn dwaas En dwazer dan dwaas:
zonder besef van zichzelf.
Opgeëist: de steen die altijd rolt;
de put die altijd leeg is.
De mens kent zijn maat niet.
Als maat van zichzelf, verstikt hij de dingen.
Loopt hij achter de dingen aan.
Een steeds ijdeler droom, die steeds sneller vervluchtigt.
Ja, we hebben macht.
Om de onmacht te bezweren.
Ja, we hebben kennis.
Om de dingen te vernietigen.
Die winnen, altijd, achter of in onze rug.
Onmacht is, wat ons meest heeft ontbroken.
De kracht om te schreeuwen.
En de zekerheid van een kleine tegemoetkoming.
