•
En ook de nacht is maar een gat,
dat mij opzuigt, blindelings, en achterlaat,
verblind, op stranden waar geen zand verschijnt,
op zeeën waar geen schepen varen.
In letters die geen taal bezweren, maar vervormen.
Verhuizen naar een taal die alles nog moet zeggen.
Taal, die mij verlaat, nu. Dood, die mij bedreigt, nu.
Adem - hij ontsnapt mij, dodelijk verlaten.
Zonder banden sterf ik, aan welke angst dan ook:
de angst om mezelf te tonen, mezelf te verlaten,
mezelf totaal en bodemloos bedreigd te weten:
in het oordeel, de blik, het verlangen.
Ik weet mezelf vernietigd, en van geen bestaan bewust,
van geen doel, of het is onuitvoerbaar,
van geen stem, of ze bezwijkt bij mijn gebaren.
Of ik dan gewoon gek wordt?
Waarom moet ik altijd mezelf begrijpen?
En het begrip, hoe omslachtig kan het worden,
alvorens het een leugen wordt?
Kan dat dan: ik, die alleen nog mezelf begrijp?
Om wat te begrijpen? Wie? Het leven?
De dood? Het begon bij: lijden.
Het begon bij: een oorlogsverklaring. Aan de dood.
Het verlangen, zijn vermeende oorsprong.
Wat kleurde het verlangen zwart?
Waarom werd het verlangen de doodsteek?
Waarom werd ik - steeds bewuster - enkel bewuster van lijden?
Waarom moest dat lijden 'begrepen’ worden?
Thuis: de zoete inval. Van het lijden.
Want mijn ouders begrepen alles.
Maar zij, werden niet begrepen.
Wat hen niet in dank werd afgenomen.
Wordt lijden enkel herhaald?
Wat herhaald wordt, kent zijn taal niet.
‘Lijden’: het woord verveelt.
En ontsnapt aan zijn eigen klemtoon.
