Abonneren, delen, bewaren

Soms is er geen schrijven aan.
Soms is er alleen maar niets.
En het duurt, blijft duren, duurt voort.
Het sleept, jaagt, breekt, en blijft, breken.

Tot:  vallen, en nader de val -
enkel zweven, enkel breken.
Altijd vallen - nooit gevallen zijn, zweven,
laag, bodemloos laag.  Onbereikbaar.

Het duurt, en soms, blijft het duren.
Wachten, en ook het wachten verlamt.
Wachten, en het verlangen:  donker, vervormd,
zwart:  “Sla mij!”, “Neuk mij!”.

Mijn lichaam, leeg.  Verdoofd, verlaten.
“Sla mij!”, “Breek mij!”.
En dan nog zal ik niet opstaan.
Dan nog zal ik niet breken.

Als ook de dag zwart ziet,
de zon zelfs ‘s nachts niet schijnt:
een ander woord voor nacht.
Een ander woord voor breken.

Nacht, en dieper dan nacht,-
geen droom en ook geen waken.
Geen verveling.  Geen dood.
Afwezigheid, loutere afwezigheid.

Maar ik roep niet.  Ik schreeuw niet.
Ik heb geschreeuwd.
En schreeuwen is een vorm van vernedering.
“Sla mij!”, “Neuk mij!”.

Alleen als object kan ik dromen te ontstaan.
Alleen in de uitlevering - zonder grens, en zonder wapen.
Ken ik een grens.  Een verleden.
Dat mij niet bereikt.  Maar achterlaat.  Woordloos.