•
Ik val samen met mezelf.
Daar zijn leuke kanten aan.
Maar ook minder leuke.
Dromen breken mij.
Poëzie breekt mij.
Maar dat is dat.
Ik val,
ik heb geen gezicht.
Een publiek lichaam ontbreekt mij.
‘Crisis’.
Mijn leven vergleed,
in steeds meer vormen, steeds meer verdeeld.
Ik identificeerde mij met alles.
En nu: met niets. En soms vraag ik mij af:
waarom werd ik niet eerder al schrijver?
Want de mens, hij sprak tot mij,
in de vorm van naturen.
Nu, is alles mij vreemd.
