Aanschijn
Ach, de tijd, hij kent geen begin.
Ik krijg hoofdpijn van zoveel ontkend genot.
Ben ik dan nog niet dood genoeg?
Morgen zal de zon opgaan,
en ik zal wakker worden, en klaarkomen,
en opnieuw versteld staan, van wat de tijd voor mij verbergt.
Ach, de tijd, hij kent geen begin.
En vrije verzen zijn ook niet altijd wat ze zouden moeten zijn. Ach,
waar is de tijd?
Toen poëzie nog politiek was,
en liefde een vorm van hongersnood.
Met vereende macht gestild, met heersende wetten gelenigd.
Ach, de vrijheid! Ze weegt zo zwaar.
Want net nu - binnen handbereik -
worden de handen afgeschaft.
Vreemd is het , om zonder handen te turnen.
De tijd is een turnzaal, die mijn taal bezweert met zweet.
Vreemd is het, om dagenlang te zweten.
(17.07.96)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

