Ochtendstond
Er was dit gat in mijn geheugen, dit gat in mijn verleden.
Dat mij, nu nog, elke dag, bekruipt.
Ik heb mezelf verlaten, en gezegd tegen mezelf :
“Dit is verboden terrein. Pas op! Hier wordt geoefend.”
En soms sneden de scherven in mijn huid.
Dat was dan onverhoopt geluk. Want pijn is welkom, als hij ondraaglijk wordt.
Er was dit gat in mijn geheugen, en dit gat, dat deint nog uit.
Want elke dag is vrijdag, en dan eten we geen vlees. Maar we lusten elkaar rauw.
Hoe overleef ik mijn vader, en vergeet ik dat ik at?
Waar hij staat, sta ik, op één been, en waar ik in dit eindperk trap, vervliegt de tijd met wonden.
Waar ik lach, is zijn taal gebroken, waar ik ween, daar staat zijn voet, en wuift hij, met rood gekleurde scepters.
Hij heeft mij levenslang onder de gordel bedreigd.
Een vrouw kan ik vergeten. En mijn moeder was een zeug,
die hem met marsepijn betrad, en ophief naar de sterren, waar hij zong. En het lied van de morgen begon.
Toen, ben ik nooit meer opgestaan.
(24.07.96)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

