De journalist
Nu wil ik wel met jou praten,
en jou alles vragen, alles vertellen,
open en bloot - mezelf beschamen als het ware,
met de naaktheid van mijn leugens,
de uitverkoop van zinnen,
die woord voor woord, en zin voor zin,
die glansrijk gebundeld als verhaal,
die weloverwogen en ondoordacht,
zowel mezelf te grabbel gooien,
als het publiek dat mij omgeeft,
beloert of opjaagt, bewondert of misprijst -
het recept van mijn hormonen als het ware,
het wetenschappelijk karakter van de zenuwen,
die mij elk moment tot stand brengen,
maar ook weer afvoeren, verzadigd,
of zelfs niet, onbevredigd, onuitvoerbaar.
(De gondel van mijn genen vaart op grote rivieren,
met wilde versnellingen, en diepe beddingen,
geheime havens, grote kwartieren,
die elke voet aan wal veranderen in lusthof.
Ik ben te groot voor mijn geest,
en spoel aan als droogdok -
zo onleefbaar is mijn leven,
zo onhandelbaar mijn zucht naar stilte.
En geruis, lawaai, van een naderende schipbreuk -
o, hemelse ontvoering in tijden van kapers en tuinkabouters.
Het publiek dat op zoek is naar haar kwaad geweten.
Ik, die flinterdun mezelf ontleed.
Het publiek dat zichzelf rauw lust.
Ik, die mezelf verscheur.)
Het zijn bange tijden.
Ook voor journalisten.
(Die als het ware bemiddelen,
tussen schrijver en publiek,
tussen goede naam en faam,
tussen waan en slechte smaak.)
Kom jongen,
zet die bandrecorder af.
De zon schijnt.
(09.08.02)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

