Geluk en alles daarbuiten
Nu al mis ik wat ik voelde.
Ik voelde dat ik dronken was, en nuchter de prooi van geluk.
Het geluk werd groter en leuning,
luxueuze zitbank met uitzicht: op een daverend verlaten park.
En alle keien zijn omgedraaid, gewogen en verworpen.
Elke steen is verdriet, in de vorm van weer geen traan.
Alle stenen zijn verlegd, in de vorm van weer geen pad.
Dat leidt naar buiten, elders.
De bank werd zwevende ruimte: wolk in ontbrekende lucht.
Mijn geluk belichaamt onvolmaaktheid.
In het aanschijn van geluk, wordt wat ik voel een droom.
In het aanschijn van geluk, wordt zelfs de droom een leugen.
(25.07.02)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2010)

