Hades
Ik ben en bevang het volk van de avond.
Ik rijd uit in zwarte nachten,
mijn mooiste kleuren zijn meestal donker.
Ik lach, maar altijd heimelijk.
Wat bodem is bij daglicht,
tors ik, in van diepte de treurnis.
Ik vergaar de wortels van mijn lot.
En jaag op jonge bruiden,
die ik niet verkracht, maar diets maak:
in de orde van hun wanen;
in de macht van hun weke gebeente;
in het minerale veelvoud van hun hartstocht.
Ik zet ze af aan de monding van een krokus.
En bedek ze lieftallig met sneeuw.
Dan zijn ze mooi, en smelten ze,
in de kelk van van een rijpere droom.
Ik bedreig de wereld als woestijn,
maar vul de leemte, met potgrond.
(28.07.02)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

