Komkommertijd
Het is tijd voor onnozele gedichten.
Het is tijd voor wat minuscule aandacht, voor triviale feiten.
Zoals wanneer de zon schijnt, altijd wanneer wij afspreken, en telkens weer ontsnappen, aan een wolkbreuk,
aan de geseling van weer en wind, het razen van regen en blad, zonder voorafgaandelijk overleg, tussen ons en het weerbericht.
Of, een duif die baltst, domweg aanwezig op de vloer die ons bestrijkt,
druk in de weer om de krop in zijn keel te onttrekken aan de blindheid van het wijfje dat steeds verder wegvlucht.
En hij baltst ongestoord voort.
Zoals in tijden van zonneschijn; van baltsende duiven; van onbekende parken en pleinen; van groene parkieten en dansende kraaien; van straalblauwe hemels; en verkeersdrukte, die onvrijwillig stoort; en ik, die jou onvrijwillig erger.
Met woorden die, in andere omstandigheden, niet minder gunstig, en evenredig verstoken van leedvermaak,
misschien zouden begrepen worden, als poging tot gesprek, als grap, of als plechtstatige verdediging van stadia van paardrift.
En dan, schieten bloemen mij te hulp, met de onooglijkheid van hun status als onkruid,
met hun belangeloos verzet tegen de oorlogsdrang van steen.
Dan reik ik jou die witte lipjes aan, serieel gerangschikt rond dat toefje van geel, op een stengel van amper een duimbreed groot
Het is de fiere telg van een soort die in het Nederlandssprekend gedeelte van België alom begaafd is met de naam: 'madelief'.
Ik reik jou een madeliefje aan, om ergens iets goed te maken dat ik niet begrijp, en jij zegt:
“Die stomme blom mag je houden…”.
(02.08.02)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

