Midas
Op een mooie zondagmorgen, in het holst van de dag, ging ik wandelen.
Ik ging wandelen, maar liep mensen tegen het lijf, verschillende.
Er waren gelijkenissen, maar ze verschilden ook van mij,
vooral voor zover ze borsten hadden, en vermoedelijk ook een kut.
Nu, ik ging niet voor hen op de vlucht, ik ging zelfs met hen praten, en terwijl ik met hen praatte -
ik liet hen helemaal niet onverschillig - terwijl ik met hen praatte, gebeurde er iets wonderlijks.
Iets wat je helemaal niet verwacht, op zondag.
En zeker niet als je goed gezind bent, en succes hebt, bij vrouwen.
Ik raakte hen voorzichtig aan, en kijk: hun achterste,
dat tot kort voordien nog bewoog als twee kaatsballen in een handige hand,
hun achterste verstijfde, werd helemaal van steen, en brokkelde nog verder af,
tot op het voetstuk van hun wimpers, de kroon van hun magere tenen.
Wat moest ik met dat gruis, dat dooraderde marmer dat zich voor mijn ogen uitstrekte als onontgonnen beeldhouwwerk?
Vooral omdat het zondag was - en ik was goed gezind - wist ik met mezelf geen raad.
En dat goud dan, vraagt u zich af.
Het goud kroop in mijn kleren.
Misschien was ik die vrouwen.
En vielen zij wel mee.
(04.08.02)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

