Verdriet
Geen vrouw heb ik gemist, of de nacht was niet te harden.
Bulderend, in de steeds grotere horten, van stokkende adem.
Mijn lijf is verstild, bekroond in de horzel van zijn schaamte.
Het podium is klein, en dun bevolkt. De strijd is eenzaam, en moedig geleden.
Elke vrouw heeft mij verweten:
geen man te zijn, geen leven, geen afscheid van haar treurig lot.
En al dat leed heb ik verzameld:
in aders van dartele wanhoop, in letters van brandend verlangen.
Mijn bloed is verdwaald in lijnrechte straten.
Geen nacht heb ik gemist, of een vrouw droeg mij op handen.
(18.07.02)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

