Kasteelvrouw
Ongrijpbaar, wie heeft zich aan jou vergrepen?
Ik was in jouw blik gevangen, ik was de melk van je borst.
Alleen door je borsten verleid, alleen door mijn penis verblind.
Wie heeft jou gebroken? Wie laat jou braken, walgen van je huid?
Míjn huid zit vol vragen. Vragen, duizend vragen.
Om mijn liefde te verjagen. Wie ben jij?
Wanneer heb je je kut vergooid?
Of zijn het je handen die als kind bleven talmen?
Je was verlangen op een tweesprong.
Dubbelgehoornd, geharnast, dubbelgekroond.
Tussen liefde en bewondering, tussen lichaam en vertedering.
En ik, als vallend mes, heb jou verwijderd van je hals.
Mijn lichaam is de zee waaruit ik drink.
En jouw lichaam is de aarde die stolt, vuurvaste aarde,
schokvrij beton. De keuze is onmogelijk:
jou verguizen en vergeten, of verlangen en verstoren.
Hoor ik je klacht, je recht op tijd?
Mijn hoop die nooit gezonken is. Als vallende ster,
als munt in een fontein. Als 'belofte die schuld maakt'.
Geen schuld die dieper graaft dan onmacht die onschuldig is.
Wie heeft jou in je onschuld vermoord?
Wie heeft zich, te vroeg, gemeten met mijn kracht?
Alleen mijn taal is nog sociaal. En jij - noch zij - hebt mij gered,
mij aan mezelf ontrukt. Zonder taal zou ik vergaan.
(08.09.95)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

