Onderdoor
Het is een wassend lied, een wachtend ei.
Een knipoog naar het sidderaal tussen mij en de aarde,
het rood gloeiend bos tussen mij en mijn pen.
Het zijn verboden hekkens,
tolbeambten met prikkeldraad, versleten uniformen.
Het is de morgen in de schemering,
een zonnesteek bij dageraad.
Het is alweer de dag die mij bevangt,
verlamt, verleidt, met een zwevend orgasme
dat aarzelt tussen vroeger en nu.
Het staat hier zwart op wit geschreven:
ik aarzel tussen mijn stem en mijn verborgen lichaam.
Ik ben sperma van kristal en krul.
Ik kraai van krolse vreugde
en ben als de dood voor de dood.
Het is mij een genoegen, van wellust te vergaan.
(23.06.95)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2010)

