Verweesd
Tussen waanzin en verlangen
(en ‘waanzin’ is een ijdel woord,
‘verlangen’ slechts een schemering)
weerspiegelt zich zijn rok.
Met maagdelijke hand gevouwd,
als das rond mijn gekeel gegespt.
Mijn vader is nooit ‘man’ geweest.
Mijn vader is als ‘vrouw’, de stem
van mijn gedachten: plichtsgetrouw,
vernederd; lafhartig en gebroken.
Ik ‘ben’ mijn afwezige moeder.
En zolang ik naast de wereld grijp,
vergrijp ik mij aan verzen.
Het is een mank lopende weg:
ik verlang naar rijpe ‘zonden’,
ik begeer een nooit begeerde vrouw.
Wie leert mij mezelf vergeten?
Wie bespaart mij het ei, het zaad,
de vrucht die ik verenigd ben?
Wie buigt ‘mij’ om in ik?
('95)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

