Zijnsvergetelheid
Alleen de hoop blijft onafwendbaar.
Omdat alle hoop gegrondvest is, op haat.
En haat die onafwendbaar is, beukt met poëzie.
Het ‘Zijn’ slaapt met gesloten ogen, gelukkig, zonder zorg.
Geen vorm, gestalte of gedachte, slechts ingeslapen rust,
gelukzaligheid en lust, en in geheim beraamde wraak.
Het ‘Zijn’ slaapt met gesloten ogen, maar met opgeheven vuisten.
Het zijn de handjes die nog gloeiend staan van een gewisse ‘lieve’ dood,
een ‘tedere’, ‘zachte’ hand, een anders ‘normale’ geboorte.
Want ik ben zonder pijn geboren, zonder pijn gesmoord.
Alsof tussen mij en mijn moeder elk verschil werd uitgewist.
Net toen ik meest bestond, toen ik meest van haar verschilde.
Alles wat bestaat, wordt gedacht alsof het is,
nog voor het terug ten gronde gaat, nog voor het taal ook maar bereikt.
En al wat achterblijft in taal, is grenzeloze zinloosheid, die, gretig, graag, geloofd wordt.
(Tussen haakjes, en voor alle duidelijkheid:
ik hou van de taal, haar vorm, haar klank, haar macht.
Of: wat de taal verminkt is het ‘taboe’.)
(06.10.95)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

