Zonder ogen, zonder huid
Tranen vervangen lichamen.
Tranen vervangen mijn gedachten.
Zelden ween ik. Zelden verlang ik.
En als ik ween, zolang ik ween, ben ik alleen.
Mijn huid is de blik die mij ontgaat.
En in mij schreeuwt de negatie.
Van een verlangen. Van duizenden verlangens.
Verloren en vergeten. Maar verenigd in één beeld.
Dat tijdeloos vergaat. Zoals ik,
die sterf, uit minzame beweeglijkheid.
En ongegrond verlangen. Ongegronde tranen.
Die mij meest ontkend beamen.
Waarom is alleen taal een surrogaat voor poëzie?
En drijft mijn taal op tranen?
Ik zal geen woord ontkennen, maar wachten tot ik spreek.
En de dagen zullen wenen, met jaartallen vervliegen,
tot ik verzonken ben in tijd, en duizend luchtkastelen.
Zoals ook ironie een vluchtige verkenning is.
Een droom
die mij miskent.
Een diepere gedachte, die mij altijd is ontgaan.
('95)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

