De wetten van Newton
Nu je mij bedriegt.
Nu je mij ophangt aan mijn wanen, mijn zoetheid, mijn lievernij.
Je bent mijn schampschot, de uitgeschoven degen, die ik ergerlijk pareer.
Geen handen in je haar, geen lippen op je mond:
slechts het rauwe van mijn botheid, in de echo van je kut.
Ik behandel jou met koelheid. Met veredelde weerzin. Met angst die het beven vervangt.
Je schildert mijn noodlot. Dat ik verwerp.
Dat ik draag, met hangende schouders.
Veracht.
Je was het pluimpje op mijn piemel.
Je was de vloed in mijn verdwaalde aders.
Ik ben alweer verjaard. Verhuisd van roeping, noodgedwongen.
Je was een worp naar eenvoudig, bestaan.
Ik verlaat jou niet. Ik ben de drempel van jouw dromen.
Ik ben sterker dan geluk.
(06.02.02)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

