ii
Wat is dat in de verte?
Is dat muziek?
Zijn dat appels?
Kinderen verkleed als appels?
En ze wuiven met hun steeltjes,
en schudden met hun pitten als kalebassen…
“Verliefd, verloofd, getrouwd, gescheiden”,
“Verliefd, verloofd, getrouwd, gescheiden”,“Wij zijn de beet van de toekomst”,
schreeuwen ze,
“Wij zijn de buik van Pomona”,
fluisteren ze,
“Wij dansen en kondigen haar komst aan …”
Pomona zit op een schaal vol appels, naakt, en rollend met haar borsten,
en geknield voor de hoorn des Overvloeds.
Vier robuuste appels heisen haar op het podium -
“Satman is heerszuchtig”,
roept ze fors,
“Maar ik ben heerszuchtiger”,
en ze schatert het uit …
“Zonder mij bestaat geen leven”,
zegt ze,
“Ik ben het sap van alles wat bloeit,
zegt ze,
"ik ben het stromende van water,
het stralende van licht,
het voedende van de aarde -
en ze schudt met haar buik, ze danst op één teen,
“Alle goden van Rome groeiden in mijn buik…”,
schreeuwt ze - en ze scheert met haar sikkel door de lucht …
Ze snijdt navelstrengen door, ze snijdt levensadems af.
Ze tooit gewassen met rijpere stengels,
ze oogst manden vol verrukkelijke, heerlijke, geurige vruchten.
“Ik ben de godin van de vruchtbaarheid…”,
zegt ze. En ze pronkt met haar weelderige heupen,
en ratelt met haar lenige, lange tong.
“Vrouwen zijn mijn bondgenoten”,
zegt ze.
“Eenzame vrouwen, en wijze vrouwen, arme vrouwen…
Lelijke vrouwen, wulpse vrouwen, criminele vrouwen …”
Enkele takken kraken, één voor één komen ze tevoorschijn:
met reusachtige hoeden, en gebochelde ruggen, met ruisende bezemstelen
en manden vol kruiden en paddestoelen - sluipen tientallen schaduwen richting podium,
rauwe kreten uitslakend, rochelend en neuzelend …
Pomona bekijkt hen met de liefde van een ouder voor zijn kind.
“Zusters, wat doen jullie voor mij?”
“Wij bewaken de geheimen van uw liefde.”
“Goed, en wat nog?”
“Wij beschermen het pasgeboren leven.”
“Goed, en wat nog?”
“Wij onderhouden het vuur van de geilheid.”
“Goed, en wat nog?”
“Wij vereren u, laatste en lieve godin…”
Ze durven het amper prevelen,
ze schuiven onwennig met hun bezemstelen langs hun benen.
“Zusters, vandaag is het feest ter mijner ere,
en alles wat de stervelingen aan mij opdragen, komt jullie ten goede:
dans, geniet …”
Ze grijpen elkaar hartstochtelijk vast,
ze graaien in de manden vol lekkernijen,
ze lachen geheimzinnig, en goochelen met formules,
ze dansen uitzinnig en pulken luidruchtig aan elkanders lijf -
“Weg!”,
roept één van de heksen plots -
ze vergeten hun bezemsteel of verliezen hun hoed,
krijsend hollen ze naar het naburige bos.
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

