vii
Paus Johannes Paulus II wordt op het podium gehesen.
“Allerzielen…”,
zegt hij.
“Op Allerzielen…gedenken wij…alle…Laatste Mensen…”,
zegt hij,
in vlekkeloos Nederlands, maar pruttelend en rillend,
bijna stikkend in zijn eigen kwijl.
“Wij…hebben berouw…”,
zegt hij,
en hij vouwt zijn levenloze, witte handen.
“Wij vragen om vergiffenis”,
zegt hij,
“Wij vragen vergiffenis…aan heel…de mensheid,”
zegt hij,
“voor alle fouten van het verleden”…-
“Christus…is een boodschap van…Liefde…”,
zegt hij -
en hij blijft wel een minuut lang naar de hemel staren,
alsof hij dat voor de eerste keer ontdekt heeft.
“God is voor ons gestorven…”,
zegt hij,
“om ons leven te verlichten…-
hij kauwt op zijn tanden alsof alleen daar nog zijn leven vanaf hangt.
“Wat hebben wij gedaan?”,
zegt hij.
“Wat heeft…de Kerk… gedaan?”
“Het is nu wel wat laat voor berouw…!”,
roepen de heksen.
En ze grijnzen.
“En denken dat wij geen macht hebben? “
En ze grijnzen nog harder.
“Wij hebben alle leven uit jou gezogen!”,
zingen ze.
“Wij zijn de troon van al je angsten, die jou létterlijk verstijfd hebben…-
en ze hinniken hysterisch…,
“de troon van al je angsten”,
dat vonden ze grappig.
Ze draaien hem rond in zijn rolstoel,
ze laten hem rondtollen als een windhaan,
hij zou van het podium gevallen zijn -
als Pomona niet…
“Zusters!”,
roept ze ijzig,
“Zusters, kalm, bedaar toch, vergis je niet van vijand…
Het is niet de paus die jullie arm maakt …”,
zegt ze streng.
De heksen deinzen gedwee achteruit,
maar ook geschrokken door de aanblik van hun godin.
Ze beweegt moeilijk,
haar vel hangt in weke flarden over broze, bijna doorschijnend geworden botten…
Maar ook het appelkoor staat er wezenloos bij, braaf, troosteloos,
mooi en glanzend, maar met hangende steeltjes, en een beenhard klokhuis…
“We moeten alle krachten bundelen”,
zegt Pomona.
“In de strijd tegen sterkere vijanden…”
“Kijk naar de aarde”,
zegt ze,
“Ik word geplunderd …”
“Ik ben verkracht…”
“Wie kent mijn smaak?”
“Wie wil mijn genot?
Mijn schoonheid?
Mijn veelheid?”
Het koor van de appels treedt haar klaagzang bij:
“Wij worden omzwachteld met vergif”,
zeggen ze.
“Wij zijn verlost van alle plagen, maar worden zelf een plaag”,
zeggen ze.
“We zijn al moes nog voor we geschild worden…”,
zeggen ze.
“Wij gaan rotten uit verveling”,
bekennen ze,
“of bij gebrek aan tijd…”
Pomona spreekt haar laatste krachten aan…
“Satman”,
prevelt ze,
“Satman…”
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

