Witte broodsweken
Hij zit vast.
Maar krijgt het niet, gezegd.
Luimen, humeurigheid, excuses.
Geen zin raakt de nagel op de kop.
Zij, rijdt hem klem.
Van haar liefde valt niets te zeggen.
Geschenken, verklaringen, schoonheid.
Geen man komt haar geilheid onderuit.
Zo bromt hij, zo nukt hij.
Zo staan zijn ogen in twee richtingen.
Zij, wervelt als een storm rond hem.
En hij, geeft zwakke tekens van leven.
Zonder te weten waarom.
Dat ze regeert, op zelfverklaard terrein.
Dat hij bevriest, op bevel van haar.
Dat hij meesmuilt, bij het minste zuchtje wind.
(05.08.06)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

