•
Hoort, wie tokkelt aan mijn slapen?
Wie verstoort mijn nachtrust?
Wie staat mij te bespringen,
ronkend van wellust, gulpend van trots?
Als ik afgejaagd en moe mijn hoofd neerleg,
op kussens die zelfs geen nacht meer verdragen,
dan blijft het bloed in mij pompen,
dan jaagt het licht door mijn aders.
Word ik bevreemd, betrapt, door illustere minnaars,
vermomd als woorden, vervormd als taal,
in het kozijn van een koninklijke garde. Machtig
spreidt zich haar wimpel. Wijd spant zich de hemel.
Mijn ogen versluizen hun ziel naar de dingen,
de dingen ontstaan, gaan leven in mij,
in hun vruchtbaarste getal.
De tijd staat stil, de stilte wacht.
Als zo de nacht verduistert,
als zo het licht van de dag ontsnapt,
dan luister ik. Dan wacht ik.
Getrouw, streng, meedogenloos.
Dan volg ik alle woorden op.
Dan word ik dienaar. Dienaar van de macht.
Dienaar van de macht van woorden.
Zie hier, ik word verhoord. Ik word door taal verkend.
