•
Waar begin ik?
Wie heeft mij verzonnen?
Wie heeft mij toegesproken, gevoed, gekoesterd?
Hoe ben ik ontstaan?
Van welke liefde ben ik de afdronk, de adem, de horizon?
Wie heeft bepaald dat ik de droom werd van een vrouw?
Wie heeft bepaald dat ik vorm kreeg in zaad, in ei?
Wie heeft mij gelanceerd, die dag, op dat ene moment, die ene verkrampte seconde?
Hoe stonden de tekens, wie verheldert mijn gesternte?
Ik was haar oogappel, ik was zijn lieveling.
Ik was de mooiste, de liefste, de gezondste.
Ik was geboren voor geluk: de helmboswuivende boreling.
Wat heeft mij toen doen wenen?
Wie heeft mij toen doen lachen?
En leef ik nog, zoals dan, in mijn pas ontloken vel?
Geprikkeld, getekend, gefolterd?
Het waren loze kreten.
Het waren ijdele tranen.
Verlegen gelach,
vertederde spot.
