Abonneren, delen, bewaren

x

Er knakte iets in hem, vertwijfeld.
Hij bezweek.
Hij bezweek voor de gloed van haar stem,
hij bezweek voor de macht van haar slankere schaduw.

"Nee",

schreeuwde hij, schor en ontzet,

"nee",

terwijl één traan zijn oogkassen vulde,

"nee",

schreeuwde hij,
terwijl het traanvocht zijn schedel besteeg.

En elke volgende traan liep van hem over,
naar haar liefde,
en de fiere blik in haar ogen,
en de dappere scheuren in haar vel.

Hij overwelfde haar met tranen.
Die zij verzwolg.
Die zij verslond,
als nieuwe grondstof voor haar hart,
als bijtende rechter van haar bloed.

Hij omhelsde haar met tranen,
en zij dronk er van,
als vogels van een meer,
als bomen van de regen
als zeeën van rivieren.

"Jij bent mijn leven",

zei ze,

"ik heb jou niet herkend."

"Jij bent mijn liefde,"

zei hij,

"ik heb jou verworpen."

"Jij bent de glans van mijn gestel,"

zei hij,

"ik zal jou elke dag doen blinken."

"Jij bent de oever van mijn leven,"

zei ze,

"ik zal jou elke dag bezetten."

"Ik zal jou volgen,"

zei hij.

"Ik zal jou sturen,"

zei ze.

"Ik ben jou niet,"

zei hij.

"Ik ken jou,"

zei ze.

"Ik bemin jou,"

zei hij.

"Ik beken mij tot jou,"

zei ze.

In de slaap die daarop volgde,
bekroonden zij hun lot.

Hij verliet de naaktheid van zijn benen,
haar wonden groeiden langzaam dicht.

"Spieren",

zei hij, verrukt,

"echte spieren."

"Een huid,"

zei zij,

"een huid waarin ik kan verblijven."

En zij lagen in elkaar verstrengeld, stralend.

"We zijn nu klaar om elkaar te verlaten,"

zeiden ze.

En ze verlieten elkaar, blij, en opgetogen.
Opgewonden.
Opgelucht.

(31.09.03)

 

 

 

 

||||| Abonneren, delen, opslaan