Kiel
Dit verdriet, waar ik mij voor schaam,
ongetemperd, de vorm van het leven dat mij draaft.
Hoe ik opgeworpen word, uitgetild boven mezelf,
mezelf verplaats in het wezen dat mij aankleeft, aanstaart, aangaapt.
Hoe ik terugkeer in dit lichaam dat - als het van mezelf afhangt,
alleen maar van mezelf - dat ik niet langer kan verdragen (mijn lichaam dat mij draagt).
De wereld staat of valt met de macht om met gebaren de wereld te beroven van haar taal.
(Waar zij heel gemaakt wordt, verre van gekunsteld, ontrukt aan de tijd en de blik van de ander.)
Ach, dit ongetemd verdriet.
En mijn handen die werkloos zijn, mijn hart dat stopt waar mijn huid begint.
Niemand waarin ik overvloei.
Of niemand dan ziet, of wil, wie ik ben, wat ik voel, wat ik wil.
En waarom de wereld ondergaat, als hij geen graf meer is,
geen hemelbed en geen wonder, geen hoop en geen verlangen.
En hoe ik toch niet dood ben.
Hoe ik kantel, en bezwijk, verstik en niet verdrink, maar rechtschiet, dobberend, verfrist, en op geen berouw belust.
(11.10.96)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

