Klaas Vaak
De slaap overmant mij.
Waar ik hem niet verwachtte.
Ik dacht: “Ik heb mezelf bevrijd”.
Maar hij bevrijdt mij. Overweldigd.
Want de nachten worden korter,
de dagen worden langer (het wordt winter).
Of ik gek ben, misschien. En te verlegen.
Ik heb te veel verlangd. Te veel gedacht. Te veel verwacht.
Ik dacht: “Het gebeurt mij nooit meer”.
Maar er gebeurt helemaal niets. Ik ben volmaakt gelukkig.
En volmaakter dan volmaakt,
vergeet ik mezelf, verlang ik mezelf: mijn geluk blijft ongedeeld.
Ik zoek een spiegel die mij breekt.
Want dit is de as, die blijft gloeien, zoals rook die niet is uitgeduwd.
Dit is mijn wandelend graf, dat ik beklaag, en vertraag, tot het mij berouwt.
Niemand heeft dit graf gegraven, niemand heeft mijn dood besteld.
En toch zal ik niet sterven: mijn lichaam, draagt mij verder.
En de wind waait anders ook wel.
Tot morgen, zoetelijk gefluister.
Tot morgen, zoetelijk gefleem.
(01.10.96)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

