Op één been
Soms bestaan gedichten, om er niet in te verdwalen.
De taal verspringt, en wij hinkelen - we lopen altijd achter.
Soms ontmoeten we elkaar, alleen maar door die knoop,
van dezelfde zin, in ons eender geboekstaafd geheugen.
Van al jouw verhakkelde woorden, ken ik de taal niet,
noch hun spreken: in die open muil giet ik een vorm,
die geen grens kent, die geen geheugen heeft,
die zoals ik, onverzadigd, de gangen van het bloed opvreet.
Sommige dingen bestaan, om nooit meer te verdwijnen.
Maar wij, wij verdwijnen, om nooit meer te verschijnen.
Zoals sommige mensen de regenboog, zo kennen wij het prisma:
kunstmatig, gebroken, gesplitst. Wij likken aan elkaar
zoals kleuren aan hun overgang: keurig verdwijnend van vorm.
Zo wandelen wij, van Eden naar Eden. En steeds op onze hoede,
van de lans tot het zwaard. Levensschuw, en heel slim,
achterdochtig: elke vrucht heeft ons per dwang verleid.
(15.04.97)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2010)

