Verschrikking
De nacht is onschuldig,
en valt.
De duisternis wekt mij,
de nacht staart mij aan.
Zwanger van zichzelf,
een oog zonder zenuw -
ik kijk mezelf blind.
Een gapende navel
met likkende tongen,
de walm van vertering -
ik walg van mezelf.
Een huilende muil
met ijzige tanden -
een kreet van beklemming,
een schreeuw van ontzetting -
ik ben alleen nog braaksel.
In de koele schaduw van zijn lippen
wriemelt mijn zaad,
als pasgeboren kevers,
gepantserd met maanlicht,
vergiftigd met levenslust,
wachtend op een ademstoot.
('93)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

