Weerzien
Zeg niet dat ik niet blij ben,
en laten we niet zwijgen. Laat mij jou
opnieuw betoveren, bedonderen, verkruimelen als koek.
Is het een wonder, of is het er geen,
dat jij rond mij blijft draaien? Starend,
duizelend, met ronkende ogen en een teer-hard hart?
Kom, kom, en ik zal jou opnieuw ontvangen,
verstikken met moordende leugens, en dat beetje dronkenschap,
omdat je toch maar weer eens langskomt.
Verweesd, trillend van verlorenheid,
dampend van verlatenheid. Schoorvoetend
op weg naar een nieuwe adem, een ander lichaam.
Met kevers in je kut en zuilen van basalt,
verstoven op de aarde, verstrooid, verzoend met de horizon,
met nieuw leven dat zomaar voor jou wordt vergooid.
Kom maar, kom, en voel hoe je verrijst, bewijst
dat je een vrouw bent. Opengereten, opengesneden,
eindelijk bemind, eindelijk vergeten.
Wie je was en wie je wordt - een kind, een nieuw verlangen,
een holte vol broeiende onzin, klaterend en zuiver goud dat je
met stralende ogen, een bloeiende buik, met stoutmoedige krampen verstuift.
Ja, ik wens jou vrede, en geluk, enkel lust,
en op jouw maat gesneden, als spiegel van jezelf,
als spoor van het zaad van je vader.
Kom nu, kom nu en vergeet, alles wat ik zeg,
en slaap, en streel, en wees, van opperste adem en diepste grot,
mijn toverschuit, mijn zilverwinkel, mijn waggelschip dat mij begraaft.
En ik, ik ben uw kolenschop.
Ik steel u en ik gloei.
Laat mij u begloeien.
('95)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

