Zijsprong
Gij zijt een dwaalspoor,
de ontluistering van mijn verlangen.
Een gapende holte,
waarin ik kokhals en walg.
In u misken ik mijn tanden,
verkrimp ik mijn snot en mijn darmen.
Ik rol, zonder handen, zonder doornen, verder,
zonder hoop, op de gladde taal die u bewoont.
En als ik val, als ik mij verbrand,
van ergernis, van vreugde, dan val ik,
dan brand ik, als struinende toorts, koortsachtig
en blind, en alleen mezelf ontziend.
Want nu, is het in stilte dat ik mezelf betracht,
trommend, drummend, kloppend en nooit aflatend,
vuur, water, kolkende dromen en splinters,
of gensters, licht, van een gespalkte toekomst.
('95)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

