Hooglied
Gij zijt mijn zegen, mijn geluk,
mijn witte duif, de palmtak in mijn haar,
mijn watersnood, mijn beproeving, mijn meest mateloze hel.
Gij zijt mijn dwarsboom, mijn geheugen,
het ritme van mijn dagen, de tolk van mijn bloed.
Gij zijt mijn janboel, mijn verwarring,
mijn grootste ongenoegen, mijn diepste angst.
Gij zijt de borst die ik aftast, de klok die ik huisvest,
de wijzer van het grootste uurwerk.
Gij zijt mijn grootste vergissing, mijn grootste droefheid,
de grootste vijand die mij aanstaat.
Gij zijt mijn innigste bloem,
de zachtste zijde van mijn aders.
Mijn hoogstam, mijn orgelpunt, mijn bronwater.
In u kan ik mezelf omarmen,
in u kan ik mijn geest verlaten.
In u kan ik de vloed bewerken
,
in u kan ik de wind verjagen.
In u bid ik om regen,
in u ontstaan de seizoenen.
Jij bent mijn regelmaat, mijn autoritaire klok,
de woeste damp van omgewoelde aarde.
Vuur, water, lucht, adem.
In u blijf ik geketend aan mijn wildste dromen.
(02.03.01)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

