Bittere kennis
Knijterig en zelfvoldaan,
de kale lust die zakt.
Misschien heeft hij te veel gegeten,
te veel gedronken of gelezen, te veel of nooit genoeg.
Hij schaart zich achter kale bomen,
staat eenzaam in een dreinend land.
Ach, die verzen. Ach, die boeken,
ze rijpen, ze vloeken, ze gisten over in de fles.
Niemand zag zijn schaduw,
het gedicht spreekt schaars en zelden.
Verankerd in duistere talen,
overmand door verdriet en verhalen:
hij schrijft geen boek zonder vragen,
zonder pijn die hem verlamt.
Klagend sleept de klas zich voort:
ook hier vergaat de tijd, verstilt de taal in woorden.
Ach, geen taal bevat zijn geheugen.
Geen morgen is vreemd aan zijn dageraad.
Ook hier beefde het leven, baarde zij een zonderling:
geen tijd heeft hem gespaard.
Zoals ook wij hier zitten, in de klas,
met haken op de fles.
Nog niemand heeft mijn taal bemeesterd.
Niemand begreep wat ik dacht.
En wij, of wij dan denken, wie denken we wel dat we zijn?
(02.12.96)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

