Bookmark and Share

Ode aan een zuigeling

Nee, lang heb ik niet geleefd.
Geleefd heb ik niet, een ik was ik niet.

Ik vervoegde vele eeuwen, buiten mij om -
het gebeurde.  Een eeuwigheid, een schampschot,

eeuwen die ik verruilde, tot ik groter werd, en groeide,
mezelf de omvang van een buik toestond.

Ik weet niet of ze van mij hield.
En of ik haar pijn deed, haar angsten verzachtte,

of lenigde:  ik werd uit haar verdreven, ik,
haar niet geboren kind, ik, het niet gewenst verlangen.

Ik, die niet bestond, of in haar dromen slechts, en zonder man.
Ik werd verdreven.  Haar huis heb ik verlaten.

Mijn spiegel was geen twee maand oud.
Maar ik heb mezelf herkend,

nu ik terugkeer naar de dood,
geen eeuw heeft mij verlaten.

Vergeten zal ik worden, of verguisd -
ik was dit ongemak, dat haar pijn verdreef.

En toch, ze hield van mij - misschien krijg ik een naam, stiekem.
Mijn tijd komt nog, als ze de pijn vergeet.

('96)