Bookmark and Share

Mijn gestoortestad

Hier ben ik, hier lig ik,
hier groeide ik op:
mijn groeien was een pogen,
mijn vergaan een geleidelijk vergrijzen.

Mijn wereld was klein,
en van armoede steeds,
werd hij kleiner:
ik heb hem niet zo groot ontvangen
of elke grens die ik verlegde, beet terug:
als nog sterker verbod,
als grotere wanhoop steeds,
een nog dieper verdriet.

Ik was mijn moeders lieve jongen
en van haar haar stoutste schat.
In haar stierven mijn dromen,
in mij begroef ze haar angsten.

Mijn diepste pijn was mijn grootmoeder:
haar mond was een goudmijn die ik heb gedolven.
Haar huis was een lijkkist, die ik heb gedragen.
Haar huis was gesloten en de vloer was heel proper.
De luiken waren dicht, en haar armen waren vangarmen:
ze heeft mij gewurgd en voorbeeldig geschaakt:
ontrukt aan mijn opstand, gesmoord in haar stem.

Mijn lichaam is wat haar meest heeft ontbroken.

Ach, laat ons hopen:  de taal is de afstand van een tijd.
En ook al is die tijd, de tijd van een eervol einde:
ik sta hier te beginnen,
waar ik denk en niet begrepen word;
ik sta hier te beginnen,
waar ik schrijf en niet gelezen word.
Ik sta hier te ontstaan,
met open ogen genezend,
met ogen dicht genietend.

Ja, het moet wel een raar zicht zijn.

Mijn grootvader dan:  in hem kon ik verdwalen.
In hem kon ik, als onschuld bestaan,
en steeds in zijn verwondering,
de hoop van zijn machtig leven zijn.
Zijn steun is mij nog dierbaar -
ook al dreunde zijn stem,
ook al vloekte zijn taal.
Ik heb hem nooit geholpen,
maar help hem nog,
door te verrijzen waar zelfs ik hem in geen pijn kan verlichten.

Als sluitstuk op dit grafschrift:  mijn vader, zijn zwijgen,
de eeuwig verbeten verwijdering.
Tegen mij heeft hij gevochten - ik zal nooit weten waarvoor.
Ik heb gewonnen - en sindsdien is hij afwezig.
Ik heb gewonnen - en sindsdien voel ik mij schuldig.
“Laat mij gerust”, zei ik, en hij liet mij gerust.
“Zoveel boel is overbodig”.

En boel genoeg:  overhoop met mezelf, overhoop met de wereld:
van geen stad de bewoner, van geen wereld de getuige:
begraven in mijn stad die nooit groter werd dan straat.
Begraven in mijn vel dat nooit groter werd dan jongen.

Mijn gestoortestad:  waar ik steeds langzamer,
steeds meer blindelings ging wonen.
Die ik ging verlaten, en nooit opnieuw betastte:
altijd mijn blindheid op zak,
altijd gevoed door mijn stuipen.

(05.97)

 

 

 

 

||||| Abonneren, delen, opslaan