Ontstedelijkt
Mijn stad is wat nooit heeft bestaan.
Ik schuwde de huizen,
en schuwde de straten.
Ik schuwde mijn vrienden
en schuwde plezier.
Ik leefde in dromen
en hield van verdwalen:
in boeken, in gedachten,
in schoonheid en in kennis.
Mijn vader en zijn bibliotheek.
Mijn vader en zijn ontbrekende stem.
Ik hield van mijn eigen vaderschap.
En dan denk ik, nu:
“Mijn stad is, waar mijn vader nooit heeft gewoond,
nee, zelfs waar hij nooit begonnen is te ontstaan,
of in mij slechts, zijn enige zoon,
de stilste getuige van zijn bittere weerstand.”
Ook ik ben de dingen verleerd.
Ook ik heb gestameld - bij gebrek aan woorden.
Ook ik zal voor mijn kind een wonder zijn -
dat zijn teken niet begrenst.
Ook ik zal voor mijn kind een leegte zijn,
van elke wereld de vrouw
en tot geen vermanning in staat -
voor mijn kind de griezel, de huiver en de angst.
De minste weerstand en de bodemloze dreiging.
De grootste wanhoop en het minste verdriet.
(05.97)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

