Aan de toekomstige
Voor jou die ik niet ken,
zoals ik aan jou denk,
wat ik van jou verwacht.
Zoals ik van jou ben, en jij van mij.
Hoe moet ik jou herkennen?
Hoe moet ik het minste teken goed verstaan?
Want hoeveel tekens wuif ik weg,
hoeveel gezichten laat ik onbespraakt?
Ik hou van jou zoals je bent.
Zoals ik jou nu niet ken,
dat je voor mij mag blijven:
die vreemdeling die mij vertrouwt,
die eendere schittering van dat eerste moment.
Hoe wij elkaar aantrokken, en vonden,
en bezworen, met vreemde talen,
met vers geknede woorden.
Dat we voor elkaar vanzelfsprekend mogen zijn.
Weet je, en dat ik een weg heb,
dat jij een weg hebt,
dat wat samen is geen eenheid is,
maar een verdeelde tweeheid,
en de eenheid, die bestaat, maar buiten ons,
die delen wij, maar met iedereen.
Je hebt je eigen leven, je eigen bevlogenheid,
de vanzelfsprekendheid om te zijn.
Je inspireert mij.
Je bent in staat om mij niet te begrijpen.
Je begrijpt meer, en meer hoef ik niet te begrijpen.
Dat je niet bestaat om mij te troosten, te helpen of te steunen.
Dat je onaangeraakt mag blijven, als ik mezelf ontoegankelijk maak.
Dat we weten wat geluk is, en dat geven aan elkaar, geven, versterken en doorgeven.
Ik inspireer jou.
(31.07.98)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

