Bookmark and Share

Stoef

Tijdens de oorlog ging het zo:
een jongetje moet op de grond gaan zitten,
en “Dank u” zeggen, “Dank u, meneer”.

De meneer in kwestie schept op tegen zijn vrienden,
dat hij het kon, dat hij het niet kon -
dat zeiden zijn vrienden.

Maar hij deed het.
Hij nam de bijl,
hief ze,

liet ze vallen -
het jongetje,
in één houw,

dood,
gespleten,
tot op de grond gespleten.

Deze meneer (of is het een man?),
ik kom hem tegen,
en ik vraag:

Kende je dat jongetje?
Weet je wie dat jongetje was?
Waarom was dat jongetje geen jongetje, en al zeker niet jouw jongetje?

 

 

 

 

||||| Abonneren, delen, opslaan