Vreemden van dagen
Hij heeft ooit van haar gehouden.
En dat is vreemd.
Daar zit ze, drijvend in haar vet,
gloeiend van verdriet.
Nooit meer bekijkt hij haar - verliefd.
Nooit meer zal hij lachen - ontroerd:
om haar lach, haar verhalen, haar geklaag.
En als ze op hem toestapt, bevindt zich in haar rechtermondhoek:
de holster van een schimpscheut,
de gapende etter van haar haat.
Want mannen zijn onverloste kinderen.
En alle hoop is tevergeefs.
Daar zit ze. Al zijn liefde is weerloos.
Hij heeft haar niet verlost.
Daar zit ze.
Op een barkruk.
En drinkt.
Op de liefde.
(15.02.01)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

