Een verlangen naar hoerigheid
In felverlichte straten wordt de nacht verduisterd.
Mijn handen worden huizen, mijn vingers zijn de veren van piepende matrassen.
Ik ben behangpapier, ik ben de zenuwknoop van onbekende stoffen.
Mannen sla ik gade. In hun uitgebuite joligheid, in hun opgeblazen zattigheid.
Zie ze lopen, in hun keurslijf, als mieren in een val. Van zusterlijke stroop.
Zonder geld: wat loop ik hier te zoeken? Wie veracht ik?
Als niet ook vrouwen, die zich voor schamele bedragen uitdossen als hoer.
Als niet ook mannen, die zich voor amper geld verslikken, in een kostelijke droom.
Waar sta ik? Als ik geen liefde koop, maar veracht - het begin.
De smeltende nachten begeren mij.
Dampende woorden doorboren mij.
De stoom die ik aflaat is gratis.
(07.09.02)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

